Tra mare e montagna

Terug gepakt (elk jaar nemen we minder en minder mee, maar blijkbaar toch nog altijd veel te veel), konden we vertrekken naar onze volgende bestemming. Onze eigenaar was weinig flexibel met uitchecken, dus besloten we om niet meer in het appartement zelf te ontbijten en wel onderweg in een pasticcieria. Althans, Willem en de kinderen aten, ik dronk koffie en fruitsap. Ze hadden enkel koeken met crème in, zelfs geen gewone croissant en als er iets is wat ik ’s morgens niet binnenkrijg, dan zal het dat wel zijn. “Op uw kin kloppen” noemen ze dat.

Onze eindbestemming lag zo’n 126 km verderop (centraal-oost) in Sardinië en het eerste stukje beloofde nog mooi kustgebied te zijn, dus bleven we zo lang mogelijk de kustweg volgen. In Villasimius reden we langs een stagno (moeras), waar er alweer flamingo’s te spotten waren, zij het maar een paar. Die moeten zich vergist hebben van seizoen, want op deze plaats verzamelen ze zich in de winter, komende vanuit de meer zuidelijke gebieden. Maar van ons mochten ze blijven, het is en blijft mooi om naar te kijken.

Daarna gingen we op zoek naar “Capo Cabonara”. Er zijn hier ongelooflijk veel baaien met bijhorende kapen en er staat meestal wel enige vorm van bebouwing op, een nuraghe of een castello. Dachten we dat we het gevonden hadden, bleek het een andere kaap en een ander bouwwerk te zijn, maar evengoed weer prachtig hoor!

Op naar de volgende dus. Via een zeer smalle lange zandweg met diepe getrokken sporen (niet evident met een laaghangende auto), kwamen we aan een afgelegen strand met zicht op … jawel, onze Carbonara! We hadden er zowaar honger van gekregen, dus besloten we onze picknick op te eten en daarna een plonsje te doen.

Het was hier rustig en ideaal om te snorkelen, dus werden de maskers nog eens bovengehaald.

Na onze tussenstop reden we wat meer het binnenland in en zagen we stilaan imposante bergen opdoemen.

Ter hoogte van het stadje Tertenia reden we nog een laatste keer richting zee, voor een korte break met koffie en een ijsje, om daarna de klim naar boven aan te vangen.

En wat een klim!! We doorkruisten 3 dorpjes : Jerzu, Ullusai en Osini zelf.

In Ullusai zei Miss GPS “sla hier scherp linksaf”, wat ze bedoelde was: “keer op het eerst volgende pleintje terug en rij dan rechts naar boven het straatje in”. Onmogelijk om zo haaks je bocht te nemen.

De straatjes zijn in deze dorpjes al bijzonder smal, staan er uiteraard ook nog auto’s geparkeerd én zit de plaatselijke bevolking ook nog samen op wat stoeltjes… je kan niet anders dan bijna hun poep eraf te rijden.

Maar om aan ons hotel te geraken moesten we ook nog de Scala di San Giorgio, een massieve rotspartij, passeren. We hebben nu al flink wat in de bergen gereden in ons leven, maar dit was wel héél pittig!

En dan kwamen we eindelijk aan bij ons hotel: afgelegen, zeer rustig en mooi. De familiekamer is hier zeer ruim, met balkon. Als je de balkondeuren opent, waan je je in pakweg Oostenrijk, want de houtovens geven hun specifieke geur af. Dat gecombineerd met berglucht: een mens zou van minder gelukkig worden.

We installeerden ons en dan was het tijd om te eten in het restaurant van het hotel. De recensies beloofden een goede kwaliteit tegen een schappelijke prijs, hetgeen ook waarheid bleek te zijn. Handig, want je rijdt hier niet zomaar even terug een paar dorpen verder om een restaurant te zoeken. Om te beginnen zijn er al amper aanwezig en bovendien was het ondertussen al donker.

De komende dagen zullen we voornamelijk in de woeste natuur doorbrengen. Willem kan al niet wachten om morgen tijdens een loopje op verkenning te gaan.

Plaats een reactie