Zaterdag trokken we rond de middag naar het noorden om te kanoën. Hoewel hier meerdere riviertjes zijn die er zich toe lenen, hebben we enkel in Valledoria een organisatie gevonden die excursies aanbiedt op de Coghinas rivier. We werden om 15 uur verwacht voor een tocht van enkele uren, dus hadden we ook nog tijd om Castelsardo te bezoeken. Dat viel op zich een beetje tegen: erg toeristisch en je merkt dat men in de meeste etablissementen een druk seizoen achter de rug hebben. De glimlach is er soms niet meer bij.

Valledoria was een echt paradijs voor kiters, surfers en allerhande watersporters. Daar waar de rivier in zee uitmondt zijn verschillende “stagni”, waar de wind – afhankelijk van de ligging- meer of minder vat op heeft, dus voor ieder niveau wat wils. We deden een tocht die tussen de 2 à 3 uur neemt, stroomopwaarts (dus in de andere richting dan normaal), want er was redelijk wat wind. Dus moesten we redelijk wat inspanning leveren om vooruit te komen. Mare en ik zijn verschillende keren in het riet terechtgekomen, hilariteit alom dus bij de boys die plat lagen met ons gekibbel en pogingen om er terug uit te geraken. Voor de rest ideaal tochtje om een “couchke” bij te krijgen en te genieten van de stilte en vele vogelsoorten.


Die avond wilden we nog eens buiten het hotel gaan eten, kwestie van wat afwisseling te hebben en voeling te krijgen met het dorp en de bevolking. Op weg naar daar ontdekte ik eindelijk een kurkbedrijf. Al veel gevilde bomen gezien, maar nog geen plek waar het allemaal samenkomt.

Ik had een zeer a-typisch restaurant qua uitstraling gevonden (met een mooi tuintje, weg van de straat, in tegenstelling tot de meeste restaurants dus), maar met een uitgesproken sardijnse kaart. Willem had als voorgerecht iets met kalfszwezerikken en ik probeerde de gefrituurde zeeanemoon (Orziadas). De pizza benaderde voor het eerst die van Il Daino (volgens Lasse). Een echte aanrader!


De volgende dag was onze laatste volledige in Abbasanta. Oorspronkelijk wilden we Alghero nog bezoeken, maar we kozen ervoor om de wat grotere stad links te laten liggen en richting Cabras te rijden. Dat is een oud vissesdorpje, met een stuk of wat prachtige stranden in de buurt en de mooi gelegen archeologische site Tharros.

We liepen naar deze site via het strand en omwille van de sterke wind waren er best wel sterke golven die op het strand beukten. Dolle pret voor Mare en Lasse natuurlijk, die een spelletje deden om de golven te slim af zijn. Alleen was één grote golf Lasse te slim af! Van kop tot teen kloddernat en alle reservekleren lagen nog in de auto… dat werd dus uitwringen en in de onderbroek wachten tot alles min of meer droog was. Gelukkig werkt die eilandwind sneller dan een droogkast en konden we vrij vlug verder.

De site van Tharros was oorspronkelijk een haven door de Feniciërs opgericht. Heel mooi, omdat ze letterlijk bijna in zee ligt.


Daarna wilden we eindelijk het strand met de speciale quartzkorrels wel eens met onze eigen ogen bewonderen, in Is Atturas. Er werd deze zomer extra de nadruk gelegd op het feit dat veel toeristen deze kleine steentjes in een pot mee naar huis nemen en hierop strenger zou toegezien worden. Agenten in burger patrouilleren op het strand en wie betrapt wordt, krijgt onmiddellijk een boete die oploopt tot 3000 EUR.

Terug op de parking hadden we prijs… zou straf zijn om al 3700 km gereden te hebben sinds ons vertek, Rome gepasseerd te zijn en geen kras of deuk in de auto. Een braaf koppeltje van een jaar of 60 parkeerden zich naast ons met de dochter op de achterbank, net op het moment dat we vertrokken. Een flinke windstoot zorgde ervoor dat de deur van mevrouw tegen onze auto vloog en muurvast kwam te zitten. Grote paniek bij het echtpaar, een beetje aandoenlijk eigenlijk. De “scusi’s” vlogen in het rond! En geen letter Engels natuurlijk! Gelukkig konden we met de dochter communiceren en gegevens uitwisselen. Geen grote schade, maar het wil natuurlijk weer lukken.
Op de terugweg maakten we nog een stop bij de boog van het kustdorp S’archittu. Hier kan je nog een wonder der natuur bewonderen (er zijn er zoveel op Sardinië): een rots die door de het water op zo’n manier werd bewerkt, dat er een boog ontstond.
Het dorpje zelf had voor de verandering een soort dijk om over te flaneren, dat waren we hier nog niet veel tegengekomen.


Er was voor het eten nog tijd voor een aperoke aan en een plonsje in het zwembad van het hotel. Daarna ons laatste avondmaal hier en tijd om afscheid te nemen van Oman, de ober en manusje-van-alles in het hotel. Hij komt van Mali, studeerde in Parijs (en spreekt dus perfect Frans) en woont en werkt al 6 jaar in het hotel. Een echte chou chou!

Morgen trekken we nog 1 keer verder, richting Olbia en Costa Smeralda.
