Tour de région

Vandaag had ik de opdracht op mij genomen om een dagvullend programma te voorzien in de sfeer van kunst en cultuur en amusement. Willem zal de komende dagen nog zorgen voor sport en recreatie.

Ik zwierde iedereen in de wagen voor een mini-roadtrip in de regio. Ik had vooraf een route uitgestippeld van plaatsen die me de moeite leken.

Starten deden we in Valence-sur-Baïse, het meest « zuidelijke » punt van de dag. De reden: je kan hier in extremis nog een blik werpen op de Pyrénées. Hiervoor moet je via een klein deurtje in de kerk op het marktplein een smalle wenteltrap naar boven nemen. Dan kom je op een brug terecht tussen de 2 torens, van waaruit je een mooi zicht zou krijgen op de omgeving en bergen. Zou, ware het niet dat er boven een wespennest zat en het er krioelde van de wespen. Het deurtje naar de torens hielden we dicht. Iets te gevaarlijk om op die hoogte wespen van je af te moeten slaan. Een snelle blik en foto door de halfgeopende deur volstond voor ons. Het is zo goed dan we het gehad hebben, zeggen ze dan.

De wespennest
Een glimp van de Pyreneeën

Dan maar een terrasje doen met zicht op de kerk bij « la table d’Emma’. Het was net 12 uur geworden en het terras zat vol bejaarden en bouwvakkers voor de lunch. 14,50 EUR voor een 3-gangen lunch vragen ze hier. Het was duidelijk eenvoudige, maar lekkere kost. En Emma zelf was het zonnetje in huis. Ik bestelde een Perrier en toen realiseerde ze zich plots dat George nog niet was komen leveren en dat de Perrier op was. « Papi » kwam ter hulp gesneld en liet weten dat George net gebeld had om te zeggen dat hij wat vertraging had. Ah bon, dan zou ze Badoit brengen. Ook prima ! Nog geen 5 min. later stopte George voor de deur. Gelukkig, eind goed al goed!

Volgende stop was Larresingle, wat gebrandmerkt staat als « het kleine Carcassonne». Op weg er naartoe kwamen we eerst ook nog « le Pont d’Artigues » tegen, een Middeleeuwse gerenoveerde brug over de l’Osse tegen. Eerste vermelding van de brug werd teruggevonden in de 15de eeuw, maar is hoogstwaarschijnlijk nog ouder en ligt op de route naar Compostella.

Larresingle zelf is een mooie nederzetting, daar niets van, maar een typische toeristische site. Hoewel het er nu ook weer niet over de koppen lopen was.

Daarna was het verder richting Montréal en meer bepaald de site van Séviac, waar er een romeinse villa bewaard is gebleven. Er bleek een heel belevingscentrum rond de site gebouwd te zijn en je moet wel een 3-tal uur hiervoor uittrekken. We besloten dit als joker te houden voor mocht er nog een gat in onze activiteiten van de komende dagen vallen. Laat ons eerlijk zijn, voor een korte wandeling tussen opgravingen krijg ik mijn manschappen nog wel warm, maar 3 uur is wat van het goede teveel.

Montreal zelf is ook weer een typisch bastide dorp (zoals alle dorpjes die we vandaag bezochten). Het meest kenmerkende aan bastiden is dat de dorpsinrichting bepaald wordt door het regelmatige en rechtlijnige stratenpatroon. Als een dambord liggen deze rondom het centrale marktplein. Dat was en is nog altijd het kloppende hart van het openbare leven in het dorp.

Laatste stop was Fourcès, ook een bastide, maar enig in zijn soort omdat het dorpsplein nu net niet rechthoekig maar rond is. Heel charmant dorpje, maar ook weer redelijk desolaat en ingedommeld. Veel toeristen kwamen we tot nu toe nog niet tegen. We dronken een smoothie of aten een ijsje in de zowat enige brasserie van het dorp. Verder leerden we ook nog de burgemeester kennen (dat hij het was konden we afleiden uit de begroeting van een bewoner die hem passeerde). Hij was druk bezig met het wijziging van de gemeentelijke website (lees: hij was het aankondigingbord in een glazen kast aan het herschikken). Lasse maakte ook nog de grap dat de kast niet op slot werd gedaan en er dus een groot risico op hacking was.

Na een verkwikkend plonsje in het zwembad, maakten we ons klaar voor de marché nocturne in Nérac: een soort foodtruck festival zeg maar met producenten uit de streek, alles feestelijk omkaderd met een streepje lokale muziek. Vol verwachtingen en met een rammelende handtas (je neemt je eigen bestek mee) reden we richting Nérac.

Ik had vooraf even met de organisatie gemaild omdat het ons niet duidelijk was of je vooraf moest reserveren of niet (in coronatijden weet je nooit). Dat was niet nodig, maar tijdig komen wel indien je aan een tafel wou zitten. 19h30 was duidelijk niet tijdig genoeg, het was er al zeer druk, maar we wisten toch in eerste instantie een staan tafel te bemachtigen. Bij wijze van apero namen we onder andere wijngaardslakken en mosselen, doorgespoeld met een glas witte wijn van chateau de Lisse.

Ondertussen waren we al opgeschoven in de rangorde en zaten we aan een tafeltje. We konden nu naar hartelust het schouwspel van dit soort evenementen aanschouwen. Deze markt zal ongetwijfeld een goede weerslag zijn van de mensen die de communauté Nérac bevolken, mensen van alle soorten en gewichten. Je kan hier trouwens met een goede 10 EUR op zak al aardig gegeten en gedronken hebben. We keken zelfs achter de schermen mee naar heuse familieruzies ! Het liefste wat we doen, mensen kijken.

Als « hoofdgerecht » gingen wij voor boeuf, Lasse koos paëlla. De beide kramen met de hamburgers met magret was tot een half uur aanschuiven en bovendien leek ons de saus van foie gras en de bijhorende frieten, gebakken in eendenvet ons ook een serieuze raketaanval op onze maag. Dus werd het hamburger en een brochette, maar dan wel eentje om duimen en vingers af te likken. Echt waar lang geleden dat we nog zo een smakelijke hamburger gegeten hadden in al zijn simpliciteit.

En dan aten de kinderen – zoals het echte bourgondiërs betaamd – nog een crèpe met vers gesmolten chocolade (nee, hier smeren ze geen nutella) als dessert. En Willem verkoos nog een Armagnac om alles door te spoelen, waarop het programma van morgen al deels vastgelegd werd: armagnac proeverij in een « ferme » hier in de buurt.

Plaats een reactie