Vandaag was het tijd om te verhuizen, een stuk het binnenland in en de bergen in. Ontbijten zouden we doen in de mall, maar de ontbijtbar scheen niet open te zijn, zo melde ons de ‘vriendelijke’ mijnheer van de supermarkt. Maar we konden bij hem wel sandwichen, kaas en plastieken messen krijgen. Dan maar picknicken onder een boom op de parking. Toen we nog even terug binnenliepen voor een koffie van de koffiebar, bleek de ontbijtzaak plots toch open. Goed gezien van de man en wij goedgelovig.

De tocht naar Dana Biosphere Reserve liep een groot stuk langs de Dode Zee, zodat we ook de zoutwinning en de bijhorende industrie mochten ontdekken. Op sommige plaatsen zie je effectief dat er “gaten” vallen. Het peil neemt 1 meter per jaar af, door klimaatopwarming maar ook door het verhoogde waterverbruik. Er wordt teveel water onttrokken uit de rivieren die de Zee moeten voeden. Er zijn – zo lijkt het – droge gebieden die de zee (wat uiteraard eigenlijk een meer is) onderbreken. Wat er bloot ligt zijn grote plekken gedroogd slib, waar grote kraters of gaten inzitten. Hierop lopen lijkt me een afspraak met het gat in de wereld.


Aangezien we nog wel even tijd hadden, dankzij ons quick & dirty ontbijt, maakten we een tussenstop in Kerak om het kasteel daar te bezoeken. De stad zelf kwam ons over als “little Amman”, maar dan nog veel chaotischer. Onmogelijk om daar met de auto rond te rijden. Na 500 meter was ik al op van de zenuwen, gord dat we zo een excellente chauffeur hebben. Het kasteel zelf gaf ons prachtige vergezichten op de vallei.


Rond het kasteel waren een aantal restaurants en bars, waar er nogal opdringerig werd gedaan. Dat was de eerste keer dat we het zo voelden hier en zeer onaangenaam, op het agressieve af. veel tijd hebben we er niet doorgebracht. Het werd tijd om hoog de bergen in te duiken en de rust op te zoeken.
De app van Booking.com geeft een routebeschrijving naar de exacte locatie, hetgeen in dit geval er 15 km naast zat. We wisten dat we niet zelf tot in het reservaat konden komen en we ergens zouden opgewacht worden voor een transfert, dus toen we in een klein dorpje toekwamen dachten we de plek gevonden te hebben. We werden al gauw tegen gehouden door een paar mannen die buiten zaten om ons te helpen. Hun Engels was van het soort van Mahmoud, maar wel al met 2 woorden :”ah, want hike? I have hike”. “Ah, want transfer? Have transfer”. “Ah, want sleep? Have sleep”. Toen ik – in het Arabisch – het adres liet zien, viel zijn frank en belde hij met zijn eigen gsm de eigenaar van het kamp die ons verder hielp met de juiste instructies. Aan de “toren” stond ons vervoer al klaar om naar het kamp gebracht te worden. Het leek wel op een deportatie, want we moesten allemaal in de laadbak van een open truck.

Eens aangekomen keken we onze ogen uit, het is er prachtig. En ook hier weer is iedereen zeer vriendelijk en verwelkomend. We kregen direct een rondleiding van de chef en uitleg over de hikes rond het kamp bij de thee. Hij werd ook erg filosofisch over geluk en het leven. Een man van veel woorden, rechtstreekse afkomst van de bedoeïenen. Hij vervloekte de gsm, zei dat we daar ongelukkig van worden… maar loopt zelf wel met 2 exemplaren rond. We besloten voor het avondeten nog een verkennende wandeling te doen van een 3-tal kilometer.



Het avondeten werd geserveerd op het terras van het enige gebouw op de site en bestond uit een variëteit aan lekkere gegrilde groenten, kip en rijst en hummus. We waren de enige die het diner hadden genomen, dus er was meer dan genoeg. Alles wordt hier klaar gemaakt op grote schotels, genoeg om een heel bataljon te voeden. Lasse heeft zeker 3 keer zijn bord gevuld.
We konden maar niet snappen dat de groep die samen met ons naar het kamp werd gereden niet kwamen eten. Later, toen we naar de “theetent” gingen begrepen we waarom. Het was een groep vrienden, uit verschillende steden van het land die hier blijkbaar regelmatig samen komen kamperen. Ze steken een vuur aan en brengen hun eigen eten mee om een stoofpotje te koken. We mochten mee aanschuiven aan het vuur en Willem haalde gauw zijn zaklamp boven om te helpen bijschijnen. Het werd een zeer gezellige avond en we leerden het gezegde « vuur is het parfum van de bedoeïenen”. We zullen hier steeds aan terugdenken, thuis bij onze vuurschaal, als iedereen weer eens klaagt dat ze naar de rook stinken. Onze agenda voor onze laatste dag in Amman wordt bovendien steeds gevulder. Als we nog meer vrienden bijmaken in de komende dagen zullen we moeten bijboeken. We worden nog steeds verwacht op de koffie bij onze Souksboys en nu zijn we ook nog uitgenodigd om bij iemand thuis het traditionele gerecht Manseff te gaan eten.


Rond een uur of half 11 wilden we onze tent inkruipen, maar er werd uiteraard op gestaan dat we nog mee proefden van het gerecht. Het was delicieus. Dan was het toch tijd om erin te duiken, we willen namelijk om 5h30 opstaan om van de zonsopgang te genieten. “You can’t miss it”, zeggen onze nieuwe vrienden. Dat gaan we dan ook niet laten gebeuren.
