We laten vandaag Kandy achter ons en rijden een kleine 200 km verder door richting noorden. Als we landen in Sigiryia, onze bestemmingen, zullen we ongeveer pal in het midden van het eiland zitten en terug in een meer vlak landschap met rijstvelden. C heeft het nogal vlug over het feit dat het dor is, maar dat is hier zwaar te relativeren. Er is hier zeker geen gebrek aan water, dus overal is er toch genoeg groen te bespeuren.

Onderweg hebben we 3 stops. De eerste is een traditioneel batik fabriekje. Het blijkt helemaal iets anders te zijn dan wat ik verwacht had. Bij batik denk ik aan het geknoopverfde t-shirts. Maar dit was wel wat andere koek. We kregen de uitleg over het hele proces waar ze wel degelijk stoffen in verfbaden steken, maar telkens een patroon uitwerken met een mengeling van paraffine, hars en was om andere delen af te schermen van die bepaalde kleur. Dit om zo na dagen werk te komen tot een mooi tafelkleed, wanddecoratie of kleren. Heel indrukwekkend, maar een uitstervende stiel, want de vrouwen (en man, want dat is de ontwerper van de patronen) zijn allemaal boven de 50 à 60 jaar. Ze slagen er niet in op nieuw bloed aan te trekken. Bovendien waren we de enige bezoekers, waar het voor corona moeilijk was een plaatsje te vinden op hun parking (dixit C).




Uiteraard kochten we in hun winkeltje wat spullen. Lasse kocht een mooi hemdje, het lijkt zo uit een street ware winkel te komen. Het zou nog goed aanslaan bij ons. Willem kreeg ook een outfit aangemeten, maar die kwam eerder uit het circus, dus daar hebben we voor gepast.

Volgende stop was een « spice garden ». Dat stond hoog op mijn verlanglijstje om te doen. We kregen meer inzicht in de verschillende kruiden die in onze keukenkast staan en massa’s tips over hoe je bepaalde combinaties tegen kwaaltjes kan gebruiken. Verder ook veel uitleg over de verschillende exotische vruchten, waarvan we er uiteraard al een heleboel geproefd hebben. Eentje nog niet, Durian, waarvan onze gids zei: ‘smells like hell, tastes like paradise’. Geweldige quote! Dit gezegd zijnde weet ik niet of ik er al klaar voor ben om dat exemplaar te proeven. Top of the bill was dat we – bij wijze van demo – allemaal een nekmassage kregen. Als we een echte wensen, dan kon je dat zeker in het hotel regelen volgens onze gids… euh… als dit een neppe was, dan zou ik wel eens willen weten wat een echte teweeg brengt.




Uiteraard sloegen we in de bijhorende kruidenwinkel ook een voorraad in van middeltjes die we kunnen gebruiken voor al onze kwaaltjes. Tegen dit tempo zullen we echt nog een reiszak extra moeten kopen om in te inchecken. Ik kreeg ook een vrucht mee van de kruidnagel plant. Volgens onze brave man kan ik die nog gerust planten als we terug zijn. Ben benieuwd.
De laatste stop was in Dambulla. Hier vind je een zeer bekend tempelcomplex waar je massa’s boeddhabeelden kan bewonderen in de uitgeholde rotsten, die ook nog eens prachtig gedecoreerd zijn. Het enige ´vervelende’ aan tempels is dat ze altijd minstens 500 traptreden hoog liggen… bij een temperatuur van 32 graden kon dit wel weer tellen.






Daarna zijn we al aardig in de buurt van ons volgend hotel en willen we nog maar 1 ding: in het veelbelovende uitziende zwembad plonzen. Het hotel noemt ´Into the wild’ en die naam blijkt niet gestolen te zijn. Tot groot jolijt van Mare lezen we in de reviews dat hier onlangs een olifant in de tuin stond. We blijven de rest van de dag ter plekke, ze hebben een eigen restaurantje, dus heel handig. Het wordt dus rusten, lezen en zwemmen.
